Deel 5: Môesa:Mozes (Moses (âlayhi salam: vrede zij met hem)

Door : | 0 Reacties | Op : 16-06-2017 | Categorie : SoSo Blog

En Îbrâhîm droeg aan zijn kinderen en aan Ya’qôeb op: ” O mijn kinderen, voorwaar, Allah heeft de godsdienst voor jullie gekozen, sterft daarom niet, behalve als jullie overgegevenen zijn ” 

“Of waren jullie getuigen toen Ya’qôeb de dood nabij was, (en) hij tot zijn kinderen zei: ” Wat zullen jullie aanbidden na mij ?” Zij zeiden: ” Wij zullen uw God aanbidden de God van uw vaderen, Îbrâhîm, en Ismâ’îl en Ishâq, als de Ene God, en wij hebben ons aan Hem overgegeven “

” Dat was een gemeenschap die waarlijk heen is gegaan. Voor haar is zij wat zij heeft verworven en voor jullie is wat jullie hebben verworven en jullie zullen niet worden ondervraagd over wat zij plachten te bedrijven “

Soerah ‘Al Baqara’ (De Koe) 2:132-134

” Zegt: “Wij geloven in Allah en wat er aan ons is neergezonden en wat er is neergezonden aan Îbrâhîm en Ismâ’îl en Ishâq en Ya’qôeb en de kinderen van Ya’qôeb en wat er is gegeven aan Môesa en Îsa en wat er is gegeven van hun Heer aan de Profeten, wij maken geen enkel onderscheid tussen hen en wij onderwerpen ons aan Hem”

Soerah ‘Al Baqara’ (De Koe) 2:136

” Zeg: ” Wij geloven in Allah en in wat er tot ons neergezonden is en in wat er neergezonden is aan Îbrâhîm en Ismâ’îl, Ishâq, Ya’qôeb en de kinderen van Ya’qôeb (al Asbâth) en in wat er aan Môesa, Îsa en de Profeten van hun Heer werd gegeven. Wij maken geen onderscheid tussen wie van hen dan ook en wij hebben ons aan Hem overgegeven “

Soerah ‘Al Imraan’ (Familie van Imraan) 3:84

 

Het verhaal van Môesa

” Wij dragen jou van de geschiedenissen van Môesa en Fir’aun voor, volgens de Waarheid, voor een volk dat gelooft. “

Soerah ‘Al Qassas’ (Het Verhaal) 28:3

Ya’qôeb (alayhi salam: vrede zij met hem) ging met zijn familie bij Yôesôef (alayhi salam: vrede zij met hem) in Egypte wonen.(Yôesôef is de zoon van Ya’qôeb; zie vorig artikel: deel 4)

De nakomelingen van Ya’qôeb (alayhi salam: vrede zij met hem), de ‘Banî Israël’: Kinderen van Israël, veranderden na een tijd van houding en hielden op met het aanbidden van Allah, zo staat in de Koran beschreven.

De leider van Egypte ‘Fir’aun’: Farao, een tiran, die het volk van ‘Banî Israël’: Kinderen van Israël onderdrukte en tot slaaf maakte, gaf op een dag het bevel om alle pasgeboren mannelijke baby’s te vermoorden. De Farao had namelijk gehoord dat de ‘Banî Israël’: Kinderen van Israël, hadden gezegd dat zij de geboorte van hun verlosser verwachtten. De verlosser die Fir’aun en zijn aanhangers/volgelingen zou vernietigen. 

” En (gedenkt) toen Wij jullie van Fir’aun’s volgelingen redden, zij kwelden jullie met de zwaarste foltering: zij slachtten jullie zonen af en lieten jullie dochters in leven. Daarin was een geweldige beproeving van jullie Heer. ” 

Soerah ‘Al Baqara’ (De Koe) 2:49

Toen Môesa: Moses; een nakomeling van Ya’qôeb (alayhoema salam: vrede zij met hen beiden) geboren werd, vreesde zijn moeder voor zijn leven. Allah openbaarde aan haar hoe ze Môesa (alayhi salam: vrede zij met hem) moest beschermen en ze legde hem in een kist. Ze liet het kistje op de zee drijven, totdat het kistje met Môesa (alayhi salam: vrede zij met hem) erin bij het paleis van de Farao terechtkwam. 

” (Wij zeiden haar:) ” Leg hem in de kist en werp hem in de zee, zodat de zee hem op de kust zal werpen; een vijand van Mij en een vijand van hem zal hem opnemen” En ik heb van Mijn liefde over jou uit-gestort opdat jij onder Mijn toezicht grootgebracht werd. “

Soerah ‘Thâ Hâ’ ( De Letters Thâ Hâ) 20:39

” En wij inspireerden aan de moeder van Môesa: “Zoog hem”, maar als jij voor hem vreest, werp hem dan in de rivier, en vrees niet en treur niet: voorwaar, Wij zullen hem bij jou terugbrengen en hem tot één van de Boodschappers maken. ” 

Soerah ‘Al Qassas’ (Het Verhaal) 28:7

De vrouw van de Farao wilde het kind houden en verzocht de Farao om de baby (Môesa) niet te doden.

” En de vrouw van Fir’aun zei: ” Hij is een verkoeling voor mijn en jouw oog. Doodt hem niet, moge hij ons baten, of kunnen wij hem als zoon aannemen ” En zij beseften niet. “

” En het hart van de moeder van Môesa werd leeg, zij had het (geheim) bijna onthuld, als Wij haar hart niet versterkt hadden, zodat zij tot de gelovigen behoorde. “

” En zij zei tegen zijn (Môesa’s) zuster: ” Volg hem”. En zo bekeek zij hem op een afstand, terwijl zij het niet beseften. “

” En Wij hebben hem daarvóór zoogmoeders verboden. En zij (zijn zuster) zei (tegen de familie van Fir’aun): ” Zal ik jullie een huisgezin wijzen dat hem voor jullie zal verzorgen en hem opvoeden ? “

” Toen deden Wij hem tot zijn moeder terugkeren, opdat haar oog verkoeld werd en zij niet bedroefd was, en opdat zij wist dat de belofte van Allah waar is. Maar de meeste van hen weten dat niet. “

Soerah ‘Al Qassas’ (Het Verhaal) 28:9-14

Zodoende groeide Môesa (alayhi salam: vrede zij met hem) op in het paleis van de Farao.

” En toen hij zijn volle kracht had bereikt, en volgroeid was, gaven Wij hem wijsheid en kennis. En zo belonen Wij de weldoeners. “

Soerah ‘ Al Qassas’ (Het Verhaal) 28:14

 

Vervolg Gebeurtenissen:

Het verhaal van Môesa (alayhi salam: vrede zij met hem) houdt hier niet op, want er volgen nog een aantal gebeurtenissen, waarover de Koran bericht:

1-Môesa (alayhi salam: vrede zij met hem) doodt een man uit het volk van de Farao

2- Môesa (alayhi salam: vrede zij met) vlucht naar Madjan

3-Môesa (alayhi salam: vrede zij met hem) keert terug naar de Farao

” Daarna zonden Wij na hen Môesa en Hârôen tot Fir’aun en zijn vooraanstaanden met Onze Tekenen, waarop zij hoogmoedig werden. En zij waren een misdadig volk. “

Soerah ‘Yôenôes’ (De Profeet Yôenôes) 10:75

” En vertel (O Moehammed) in het Boek over Môesa: hij was een uitverkorene en hij was een Boodschapper een Profeet. “

” En Wij schonken hem van Onze barmhartigheid zijn broeder Hârôen een Profeet. “

Soerah ‘Maryam’ (Maria) 19:51 en 53

” (Gedenk) toen jouw Heer Môesa opriep: ” Ga naar het volk van de onrechtvaardigen. “

Soerah ‘Assjoe’arâ’ (De Dichters) 26:10

Môesa (alayhi salam: vrede zij met hem) eiste van de Farao dat hij de ‘Banî Israël’: Kinderen van Israël vrij zou laten en dat hij in Allah moest geloven. De Farao bleef echter in zijn ongeloof volharden. Allah gaf Môesa (alayhi salam: vrede zij met hem) de opdracht Egypte te verlaten.

4-Môesa (alayhi salam: vrede zij met hem) verlaat samen met ‘Banî Israël’: Kinderen van Israël, Egypte.

5-Môesa (alayhi salam: vrede zij met hem) en de zee die in tweeën splijt.

” En Wij brachten de Kinderen van Israël over de zee, waarop Fir’aun en zijn legers hen volgden uit tirannie en vijandschap, totdat, toen de verdrinking hen bereikte, Fir’aun zei: ” Ik geloof dat er geen God is dan Degene waarin de Kinderen van Israël geloven en ik behoor tot hen die zich hebben overgegeven (aan Allah). “

” (Allah zei:) ” Nu ? Terwijl jij voorheen opstandig was en tot de verderfzaaiers behoorde ? “

” Op deze dag dan redden Wij jouw lichaam opdat jij een Teken zult zijn voor hen die na jou komen. En voorwaar, velen van de mensen zijn zeker achteloos tegenover Onze Tekenen. ” 

Soerah ‘Yôenôes’ (De Profeet Yôenôes) 90-92

6-De straf van 40 jaar

” En (gedenkt) toen Môesa tot zijn volk zei: ” O mijn volk, gedenkt de genieting van Allah voor jullie, toen Hij Profeten uit jullie midden voortbracht en jullie koninkrijken gaf en aan jullie gaf wat aan niet één (volk) in de werelden gegeven was. “

Soerah ‘Al Mâ’îdah’ (De Tafel) 5:20

” O mijn volk, treedt het Heilige Land binnen dat Allah jullie toegewezen heeft en keert het niet jullie ruggen toe, want anders zullen jullie als verliezers terugkeren. ” 

Soerah ‘Al Mâ’îdah’ (De Tafel) 5:20

” Zij zeiden: ” O Môesa, daarin is een heel sterk volk en wij zullen daarin nooit binnentreden totdat zij van daar vertrekken, en indien zij het verlaten, dan zullen wij daar binnentreden. “

Soerah ‘Al Mâ’îdah’ (De Tafel) 5:21

” Twee mannen van degenen die (Allah) vreesden en aan wie Allah van Zijn gunsten gegeven had, zeiden: ” Val hen aan via de poort en wanneer jullie dan erdoor binnengetreden zijn, dan zullen jullie waarlijk winnaars zijn. En stelt jullie vertrouwen op Allah, indien jullie gelovigen zijn. “

Soerah ‘Al Mâ’îdah’ (De Tafel) 5:22

” Zij zeiden : ” O Môesa, wij zullen daar nooit binnentreden zolang zij daarbinnen zijn. Gaat u maar en uw Heer, en vecht met u tweeën, voorwaar, wij zullen hier blijven zitten. ” 

Soerah ‘Al Mâ’îdah’ (De Tafel) 5:23

” Hij (Môesa) zei: ” O mijn Heer, ik heb alleen macht over mijzelf en mijn broeder; breng een scheiding aan tussen ons en het zwaar zondige volk. “

Soerah ‘Al Mâ’îdah’ (De Tafel) 5:24

” Hij (Allah) zei: ” Het is daarom dat (het land) voor veertig jaren voor hen verboden wordt, (gedurende die periode) zullen zij rusteloos op aarde rondgaan. Treur daarom niet over het zwaar zondige volk. “

Soerah ‘Al Mâ’îdah’ (De Tafel) 5:25

 

Môesa en de Taurât: de Thorah

” En (Wij zonden) Boodschappers over wie Wij jou waarlijk reeds verhaald hebben en (Wij zonden) Boodschappers over wie Wij jou niet verhaald hebben. En Allah voerde een gesprek met Môesa. “

Soerah ‘An Nisâ’ (De Vrouwen) 4:164

” En (gedenkt) toen Wij Môesa de Schrift (de Taurât) en de Foerqân (kennis waarmee de Waarheid van de valsheid kan worden onderscheiden) gaven, hopelijk zullen jullie de leiding volgen. “

Soerah ‘Al Baqara’ (De Koe) 2:53

” Toen gaven Wij Môesa de Schrift (de Taurât), ter vervolmaking (van de gunst) voor degene die het goede verrichte en als een uiteenzetting voor alle dingen en leiding en Barmhartigheid. Hopelijk zullen zij in de ontmoeting met hun Heer geloven. “

Soerah ‘Al An’Âm (Het Vee) 6:154

” O Kinderen van Israël ! Gedenkt Mijn gunst die ik jullie geschonken heb en houdt jullie aan het verbond met Mij, dan houd Ik Mij aan het verbond met jullie. En vreest daarom alleen Mij. “

Soerah ‘Al Baqara’ (De Koe) 2:40

” En (gedenkt) toen Wij het verbond van de Kinderen van Israël aanvaardden (zeggend): ” Aanbidt niets dan Allah, en betracht goedheid jegens de ouders, en de verwant, en de wees, en de behoeftige, en spreekt het goede tot de mensen en onderhoudt de salât en geeft de zakât” Vervolgens onttrokken jullie je er aan, behalve een klein aantal van jullie, terwijl jullie je afwendden. “

Soerah ‘Al Baqara’ (De Koe) 2:83

” En (gedenkt) toen Allah een overeenkomst aanging met de Profeten (en zei): ” Wat ik jullie ook gegeven heb van de Schrift en de Wijsheid; en er komt daarna een Boodschapper tot jullie ter bevestiging van wat bij jullie is: jullie zullen zeker in hem geloven en hem zeker helpen. Hij zei: Erkennen jullie dit en aanvaarden jullie Mijn verbond ?” Zij zeiden: ” Wij erkennen het ” Hij (Allah) zei: ” Getuigt dan en Ik behoor met jullie tot degenen die getuigen. “

Soerah ‘Al Imrân’ (Familie van Imrân) 3:81

” Hij heeft aan jou het Boek met de Waarheid neergezonden, bevestigend wat daaraan voorafgegaan was, en Hij zond de Taurât en de Indjîl neer, Hiervoor, als Leiding voor de mensen, en Hij deed de Foerqân (de Onderscheidmaker tussen de Waarheid en de valsheid) neerdalen.” 

Soerat ‘ Al Imraan’ (De Familie van Imrân) 3:3-4

De Koran bericht dus over de vermelding van de Boodschapper Mohammed ( vrede en zegeningen met hem) in de Thorah en de Bijbel.

 

Naar welk Verbond wordt er in de Koran verwezen ? Wat houdt het Verbond in ? Welke voorwaardelijke toezegging wordt hier bedoeld ?

Volgens de Koran zijn er voorwaardelijke toezeggingen gedaan aan de ‘Banî Israël’: Kinderen van Israël, in de tijd van Môesa (alayhi salam: vrede zij met hem) met betrekking tot Het Heilige Land. 

 

Môesa en Al-Khidr

De Koran vertelt in Soerah ‘Al Khaf’ (De Grot) 18, over de opdracht die Môesa (alayhi salam: vrede zij met hem) van Allah krijgt; Môesa werd verzocht om naar een bepaalde plek af te reizen, om de dienaar van Allah, ‘Al- Khidr’ te ontmoeten.

 

En Allah weet het beter.

 

Wordt vervolgd…

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Plaats een reactie

:wink: :-| :-x :twisted: :) 8-O :( :roll: :-P :oops: :-o :mrgreen: :lol: :idea: :-D :evil: :cry: 8) :arrow: :-? :?: :!: